STANDPUNT VAN


TIM NAWROT VINDT DAT OOK LOKALE BESTUREN LUCHTVERONTREINIGING KUNNEN AANPAKKEN
“Luchtvervuiling en ruimtelijke ordening gaan hand in hand. Het vergunningsbeleid heeft ook een impact op de luchtkwaliteit.”

- Prof. dr. Tim Nawrot in gesprek met Elly Den Hond, diensthoofd Milieu-Gezondheid van het PIH (Provinciaal Instituut voor Hygiëne).

Professor Tim Nawrot is milieu-epidemioloog aan de UHasselt en de KU Leuven. Hij leidt een team van onderzoekers dat de invloed van het milieu op de gezondheid bestudeert. Luchtvervuiling en groene ruimtes zijn twee belangrijke topics in dat onderzoek.

Hoe is het gesteld met de luchtvervuiling in Vlaanderen?

We denken vaak dat luchtverontreiniging een nieuw fenomeen is, maar eigenlijk is het een heel oud probleem. Het goeie nieuws is dat het nu veel beter gesteld is met de lucht dan vijftig jaar geleden. Toen werd er nog met steenkool verwarmd en was er ook veel oude en vervuilende industrie. Men was er vroeger ook al mee bezig. In 1903 verscheen in The Lancet al een artikel over de vraag of rook nu zwart moet zijn om gevaarlijk te zijn.

Collega Benoit Nemery van de KU Leuven maakte een historisch overzicht van de luchtverontreiningscatastrofe in de Maasvallei. In 1930 was daar plots tien keer meer sterfte dan normaal. Al snel deden verschillende hypotheses de ronde. Men dacht dat de Spaanse griep was uitgebroken of dat de Duitsers ons land opnieuw binnenvielen en gifgas gebruikten. Uiteindelijk bleek de sterfte veroorzaakt te zijn door luchtvervuiling. De niveaus van toen halen we gelukkig niet meer.

De lucht is sterk verbeterd in vergelijking met de tijd toen er nog geen regelgeving was. Toch is er nog ruimte voor verbetering. De Europese norm voor fijn stof bijvoorbeeld is 25 µg/m³, maar die norm is veel te hoog. Tal van studies tonen gezondheidseffecten bij veel lagere concentraties. Ook voor stikstofdioxide is onze regio een hotspot. We kunnen besluiten dat er goede vooruitgang gemaakt is de afgelopen 50 jaar, maar dat er zeker nog gezondheidswinst te boeken is met schonere lucht.

“De lucht is sterk verbeterd in vergelijking met de tijd toen er nog geen regelgeving was. Toch is er nog ruimte voor verbetering.”

Zijn er grote verschillen tussen stedelijke en landelijke gemeenten in Vlaanderen als het gaat om luchtvervuiling?

Die zijn er niet voor alle polluenten. Fijn stof ligt als een deken over ons, we zien verhoogde concentraties over een grote regio. De intensieve veehouderij levert ammoniakgassen op. Die gassen reageren in de lucht en dat geeft een belangrijke bijdrage aan fijn stof. De Nederlandse gezondheidsraad beschouwt dit daarom als een prioriteit.

Hoe kunnen lokale besturen zelf acties ondernemen om de situatie op hun grondgebied te verbeteren?

In 2019 hield Cathy Berx haar openingsrede voor het provinciebestuur over luchtkwaliteit en gezondheid. De gouverneur gaf daarbij een belangrijk signaal dat - naast Europese – ook lokale maatregelen een verschil kunnen maken. Ze riep lokale overheden op om daar ook naar te handelen. Luchtvervuiling en ruimtelijke ordening gaan hand in hand. Met het vergunningsbeleid hebben lokale besturen wel degelijk ook een impact op de luchtkwaliteit. Het is goed dat de gouverneur op het belang van schone lucht wijst en duidelijk maakt dat het een zaak is voor alle beleidsniveaus.

Hoe kunnen de provincie en de gemeenten de situatie opvolgen? Zijn er kaarten of interactieve tools?

De luchtkwaliteit kan je goed opvolgen via de website van de interregionale cel van het leefmilieu.

Wat zijn de risico’s van luchtvervuiling op de gezondheid?

Om met het fijn stof te beginnen: dat heeft een invloed op heel veel ziekten. Als fijnstofdeeltjes in onze longen belanden, ontstaan er ontstekingsreacties door immuuncellen of macrofagen die de deeltjes willen opruimen. Die ontstekingen verspreiden zich over ons lichaam en kunnen op die manier allerlei aandoeningen veroorzaken of verergeren. Men dacht lang dat luchtverontreiniging vooral een invloed had op longziekten, maar we weten nu dat de impact op cardiovasculaire aandoeningen nog veel groter is. Veel meer mensen sterven door luchtverontreiniging aan hart- en vaatziekten dan aan longziekten.

Hart- en vaatziekten ontstaan onder andere door de vorming van plaques aan de binnenkant van de bloedvaten. Deze ophopingen van vetstoffen kunnen de vaten doen dichtslibben. Dat gebeurt natuurlijk niet van de ene op de andere dag. Maar we weten dat naast genetische aanleg en voeding ook luchtverontreiniging bijdraagt aan het dichtslibben van bloedvaten. De American Heart Association zegt onomwonden dat er een rechtstreeks verband is tussen fijn stof in de lucht en cardiovasculaire ziekte en sterfte.

“Het zal niet verbazen dat luchtverontreiniging mogelijk mee het verloop van een COVID-infectie kan bepalen.”

Luchtverontreiniging zorgt ook voor meer luchtweginfecties en de verergering van astma. In Londen deed men een test door mensen met astma te laten wandelen in Hyde Park en Oxford Street, plekken met veel verkeer. Je ziet heel snel een effect op ontstekingsparameters in de longen en ook op de longfunctie van personen. Verder hebben we ook gezien dat mucopatiënten meer medicatie nodig hebben op dagen met meer luchtvervuiling.

Samen met collega’s van het UZA ontdekten we dat patiënten bij intensieve verzorging langer aan een beademingsapparaat liggen als ze de dagen voor hun opname aan meer luchtverontreiniging zijn blootgesteld. De aard van de ziekte speelt daarbij zelfs geen rol. Of het nu een verkeersongeluk, een ernstige infectie, hartfalen of een zware chirurgische ingreep is: een bijkomende 1,2 microgram fijn stof per kubieke meter lucht in de weken vóór de opname, deed in ons onderzoek de beademingsduur met ruim 12% stijgen. Het zal dan ook niet verbazen dat luchtverontreiniging mogelijk mee het verloop van een COVID-infectie kan bepalen.

Verschillende onderzoekers in je team voeren hun onderzoek uit binnen het Limburgs Geboortecohort, een samenwerking van UHasselt en Ziekenhuis Oost-Limburg. Waarom is dit onderzoek zo belangrijk?

We volgen ondertussen meer dan 2.000 deelnemers op. Bij de geboorte nemen we navelstrengbloed en bewaren we de placenta in een biobank. Op deze stalen meten we dan in welke mate de baby al voor de geboorte in contact kwam met blootstelling aan milieuverontreiniging. Stoffen die de moeder via lucht of voeding binnenkrijgt tijdens de zwangerschap, hebben impact op de foetus. Hierbij bestuderen we verouderingsprocessen vanaf de geboorte. Daarom kijken we onder meer naar de telomeren, de beschermende uiteinden van de chromosomen.

De lengte van die telomeren geeft een beeld van het verouderingsproces op celniveau. Wij hebben gevonden dat er tussen pasgeborenen al verschillen zijn in die telomeerlengte. Je kan dus zeggen dat pasgeborenen niet exact even oud zijn op celniveau. De telomeren van bepaalde baby’s zijn namelijk langer dan die van andere, door de impact van verschillende omgevingsfactoren. De telomeren zullen sowieso verkorten, maar zijn ze langer bij de geboorte, dan ben je beter gewapend tegen veroudering. Het onderzoek toont daarbij aan dat blootstelling aan milieuverontreiniging voor de geboorte de gevoeligheid voor ziekten later in het leven kan verklaren.

“Blootstelling aan milieuverontreiniging voor de geboorte kan de gevoeligheid voor ziekten later in het leven verklaren.”

Kunnen jullie op basis van het onderzoek ook adviezen formuleren voor jonge mama’s en papa’s?

Moeilijk. Iedereen moet ademen, ook op plaatsen waar de lucht van mindere kwaliteit is. We moeten er dus op vertrouwen dat de kwaliteit verder zal verbeteren in de toekomst.

Naast luchtvervuiling zijn groene ruimtes ook een onderzoekslijn in je groep. Waarom is toegang tot groen belangrijk voor de gezondheid?

Studies tonen aan dat groene elementen zoals de nabijheid van een park in een stad een verschil kan maken voor de ontwikkeling van kinderen. Deze bevindingen zijn dus relevant voor beleidsmakers en stadsplanners om een optimale omgeving te creëren waarin kinderen de kans krijgen om hun volledig potentieel te ontwikkelen. We zien een effect op het welbevinden en op cognitieve prestaties waaronder IQ. Onze resultaten zijn niet vertekend door de sociaaleconomische achtergrond van de deelnemers. Het verband tussen groen en cognitie (het kenvermogen) vinden we terug bij kinderen van ouders met zowel een hoog als laag opleidingsniveau. Uit eerdere studies, onder meer bij kinderen in Barcelona, bleek ook al dat meer groen in de leefomgeving in verband staat met een sterkere vooruitgang van het werkgeheugen en aandacht. Daarnaast blijkt ook dat een groenere omgeving leidt tot een verbetering van de gedragsontwikkeling bij kinderen. Het zorgt ook voor minder hyperactiviteit en een vermindering in concentratieproblemen. Het belang van groen op cognitief vlak wordt momenteel ook nog verder onderzocht in studies binnen het Steunpunt Milieu en Gezondheid. Daarbij bestuderen we bij 400 jongvolwassenen over heel Vlaanderen de cognitieve functie in functie van de woonomgeving. We stelden ook vast dat gebruikmaken van groen – denk aan sporten of wandelen in een groene omgeving – extra voordelen oplevert op het vlak van concentratie.

Wat is het belangrijkste advies op vlak van groen dat je aan een stadsplanner kan geven? Helpt pakweg een grote panoramafoto van een tropisch woud op een kantoor ook al?

Ik geloof niet in foto’s, nee. Wat telt is dat mensen zich goed voelen in hun omgeving en dat groen daarbij een rol speelt, zelfs al ben je er je niet direct van bewust.

“Groen heeft een effect op het welbevinden en op cognitieve prestaties waaronder IQ.”

Meer weten?

Elly Den Hond


diensthoofd Milieu-Gezondheid van het PIH

Deel dit artikel

Ook interessant voor jou ...

Wat bomen ons vertellen